Bible-Science.info

Bijbel en wetenschap

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Hoofdstuk 7. Van cel tot mens

Eencelligen

Evolutionisten bestempelen eencelligen vaak als 'eenvoudig' om aannemelijker te maken dat ze vanzelf kunnen zijn ontstaan uit niet-levende chemicaliën. We hebben al gezien dat cellen verre van eenvoudig zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor de eencelligen.

Eencellige trilhaardiertjes hebben daarbij ook nog haartjes waarmee ze zich kunnen voortbewegen. Deze haartjes hebben een diameter van zo'n 0,0002mm en bestaan elk uit ongeveer 10 microbuisjes (microtubuli). Die buisjes bestaan elk weer uit ongeveer 10 strengen. De trilhaartjes zitten zo ingenieus in elkaar dat het moeilijk voor te stellen is dat deze door toeval zijn ontstaan.

Meercelligen

Een (meercellig) dier is meer dan een hoopje cellen die na celdeling aan elkaar zijn blijven plakken in plaats van elk een eigen leven te gaan leiden. Elk organisme ken immers verschillende soorten cellen: huidcellen, spiercellen, zenumcellen, etcetera. Welk type cel ontstond er het eerst? Elk type cel is namelijk totaal zinloos als de andere niet bestaan.

Nu zal iemand zeggen dat een bevruchte eicel in staat is uit te groeien tot een levend wezen. En dat uit een enkele cel dus verschillende soorten cellen kunnen onstaan op precies het juiste moment. Klopt als een bus natturlijk, maar een bevruchte eicel is iets anders dan een eencellig organisme. Buiten de bescherming van het lichaam van de moeder, gaat de eicel dood. Eencelligen kunnen bijvoorbeeld in een sloot leven, eicellen niet. Eicellen hebben alle informatie in hun DNA om uit te groeien tot bijvoorbeeld een mens. Eencelligen hebben die informatie niet. Die moet, volgens de evolutietheorie, toevallig in het DNA zijn beland. En dat is gezien de complexiteit totaal onmogelijk. Dat een eicel kan uitgroeien tot een nieuw schepsel is geen bewijs voor evolutie; het is eerder een bewijs dat hier een intelligente Schepper aan het werk is geweest.

Nu we het toch over eicellen hebben... hoe is geslachtelijke voortplanting eigenlijk ontstaan? Eencelligen kunnen zich delen. Op zich al een ingewikkeld proces waarvan moeilijk voor te stellen is dat dit vanzelf is ontstaan. Bij geslachtelijke voorplanting zijn eicellen en zaadcellen nodig. Beide hebben de helf van het totaal aantal chromosomen, zodat de bevruchte eicel weer een complete set chromosomen bevat. Hoe en waarom zijn die ei- en zaadcellen ontstaan? En hoe kan het bij verschillende dieren tegelijk zijn ontstaan? Een vrouwtje heeft immers niets aan eicellen als er geen soortgenoot bestaat die zaadcellen produceert en een mannetje heeft niets aan zaadcellen als er geen eicellen zijn die bevrucht kunnen worden. Bij het ontstaan moeten dus vrijwel tegelijk twee dieren van dezelfde soort een mutatie hebben ondergaan waarbij ei- danwel zaadcellen ontstonden, beide met de helft van het aantal chromosomen, volkomen onafhankelijk van elkaar maar wel zodanig dat de geslachtscellen van beide met elkaar kunnen versmelten om zo voor een nakomeling te kunnen zorgen. Die twee dieren moeten ook nog dicht in de buurt van elkaar hebben geleefd en op de gedachte zijn gekomen gemeenschap met elkaar te hebben. Het zal duidelijk zijn dat we teveel van het toeval verlangen om dit vanzelf te laten gebeuren. Er moet een Schepper zijn Die man en vrouw schiep, precies zoals de Bijbel zegt.

Ongewervelden

Eencelligen in het water zouden zich op een gegeven moment hebben geëvolueerd tot ongewervelde dieren zoals kwallen. Ook hier is nooit een bewijs van gevonden. Er is zelfs nooit een twee-, drie-, vier- of vijfcellige gevonden, terwijl die toch in overvloed zouden moeten bestaan. Er zijn wel levensvormen die uit zes tot twintig cellen bestaan, maar dat zijn parasieten die een ontwikkeld wezen als gastheer nodig hebben om te overleven.

De ongewervelde dieren ontwikkelden zich tot vissen en de vissen tot amfibiën en landdieren. Iedereen weet dat een vis kieuwen heeft waarmee hij onder water kan ademen en landdieren longen waarmee ze boven water kunnen ademen. Op het eerste gezicht lijkt het dus onmogelijk dat een waterdier een landdier kan worden, maar dat is het niet. Kikkervisjes leven in het water, maar groeien laten uit kikkers die op het land kunnen ademen. Deze kikkers krijgen echter niet direct kleine kikkertjes als nageslacht, maar leggen gewoon weer kikkerdril waaruit kikkervisjes geboren worden.

Tussenvormen

Tussenvormen zijn dieren waarvan evolutionisten menen dat ze ontbrekende schakels (in het Engels: missing links) zijn tussen bestaande diersoorten, bijvoorbeeld tussen zee- en landdieren. Maar bij elke gevonden tussenvorm moeten we ons afvragen of welke bewijzen er zijn dat het een tussenvorm is. En als blijkt dat het dier inderdaad iets van twee andere diersoorten heeft, waarom zou dat dan een bewijs voor evolutie zijn? Waarom zou een schepper dit dier niet gewoon zo gemaakt kunnen hebben? Laten we eens naar een aantal voorbeelden kijken.

Coelacanth (Bron: Wikipedia)

Een tijd lang hebben evolutionisten gedacht dat de coelacanth (spreek uit: selakant) de voorouder was van de amfibie. De fossielen van de coelacanth leken namelijk op een vis met een soort pootjes in plaats van vinnen. Het beest zou miljoenen jaren geleden in ondiepe wateren hebben geleefd en geëvolueerd tot amfibie. Men meende dat ze 70 miljoen jaar geleden waren uitgestorven. In 1938 is er echter een levend exemplaar aangetroffen en sindsdien zijn er meerdere gevonden. En toen bleek waarom men dacht dat het was uitgestorven: de coelacanth leeft op zo'n 200 meter diepte! Niet bepaald in ondiepe wateren dus. Ook de verdere anatomie lijkt niet op dat van een amfibie. Hoe kan trouwens een diersoort 70 miljoen jaar lang leven zonder fossiele rechten achter te laten in 'jongere' aardlagen? De meest aannemelijke verklaring is dat de gevonden fossielen niet miljoenen jaren oud zijn en de aardlaag waarin ze gevonden zijn dus ook niet.

Australische longvis (Bron: Wikipedia)

Ook zijn er bepaalde vissoorten die over een of meer longen beschikken: de longvissen. Velen zien deze vissen als een bewijs voor evolutie. Maar dan zou het eerst aannemelijk moeten zijn dat ze die longen mogelijkheid door louter toeval hebben gekregen. Kunnen ze die longen niet gewoon van hun schepper hebben gekregen? Anderen zijn van mening dat de anatomie van longvissen te veel verschilt van dat van een amfibie om een voorouder te kunnen zijn.

Model van de tiktaalik (Bron: Wikipedia)

Gevonden fragmenten van de tiktaalik (Bron: Wikipedia)

De Tiktaalik is in 2006 gepresenteerd als het bewijs dat vissen landdieren zijn geworden. In 2004 zijn goed bewaard gebleven skeletten van de Tiktaalik gevonden. Ten minste, van het voorste gedeelte. Hoe de achtervinnen en eventuele staart er uit moeten hebben gezien, weet men niet. Toch heeft men tekeningen en zelfs modellen gemaakt van de hele vis. Als we het skelet bekijken, zien we een kop van een krokodil en aan beide zijden vinnen die wel wat weg hebben van ledematen van landdieren (net als bij de coelacanth). Bij nauwkeurige inspectie blijkt echter dat de constructie van de vinnen zodanig is, dat hij er nooit echt mee heeft kunnen lopen. En wie weet, vinden we de Tiktaalik wel eens ergens op 300 meter diepte. Een skelet is gevonden in een gebied met verder enkel fossielen van vissen. De ervaring met de coelacanth heeft wel geleerd dat het gevaarlijk is om aan de hand van een (incompleet) skelet te zeggen hoe een dier heeft geleefd en dus wel de voorouder geweest moet zijn van een ander dier.

Een van de gevonden fossielen van de archaeopteryx.

De Archaeopteryx wordt door veel evolutionisten beschouwd als een overgangsvorm tussen reptielen en vogels. Niet zo verwonderlijk want het heeft bepaalde kenmerken van vogels (bijvoorbeeld veren) en bepaalde kenmerken van reptielen (bijvoorbeeld tanden). Het was echter een volledig ontwikkeld dier met vleugels waarmee hij kon vliegen. Uiteraard staat het een schepper vrij om kenmerken van diersoorten te 'mengen' tot een andere diersoort. De Archaeopteryx is dan ook geen bewijs dat reptielen zijn geëvolueerd tot vogels. Voor een dergelijke evolutie moeten trouwens ook een aantal hindernissen overwonnen worden. Zo zijn reptielen koudbloedig en vogels warmbloedig. Ook hebben vogels een totaal ander soort longen dan reptielen, zoogdieren en mensen.

Verwar de Archaeopteryx overigens niet met de Archaeoraptor. De Archaeoraptor bleek een vervalsing. Sommigen menen dat ook de Archaeopteryx een vervalsing is, maar daar is geen hard bewijs voor.

In mei 2009 werd de 'missing link' Ida (Darwinius masillae) gepresenteerd. Vele media maakten de vergissing het voor te stellen als de link tussen aap en mens. Dit is echter niet juist. Men meent dat het fossiel stamt uit de tijd dat primatien zich gingen 'splitsen' in apen en halfapen. Toch beweerde zelfs de bekende David Attenborough dat de ontbrekende schakel tussen primaten en mensen "niet langer ontbreekt". Waarmee hij (onbedoeld) toegaf dat die schakel tot dan toe dus inderdaad ontbrak. Ida lijkt het meest op een uitgestorven soort maki en staat dus ver af van chimpansees, laat staan mensapen en mensen. Het is een volledig ontwikkeld dier; het fossiel toont geen tekenen dat het aan het evolueren was.

Het zal inmiddels wel duidelijk zijn geworden dat fossielen moeilijk (macro-)evolutie kunnen bewijzen. Evolutie is immers een proces. Macro-evolutie duurt miljoenen jaren. Als een fossiel al evolutie aantoont, dan kan dat enkel micro-evolutie zijn en daar hebben creationisten geen problemen mee. In het volgende hoofdstuk zullen we hier nader op ingaan.

Mensen

De landdieren die uit de vissen zijn voortgekomen, hebben zich uiteindelijk ontwikkeld tot de apen waaruit de mensen zijn ontstaan. Er is echter geen enkel bewijs gewonden dat een aap zich tot mens heeft ontwikkeld. De mooie plaatjes van apen die steeds meer rechtop gaan lopen bestaan alleen in de fantasie van tekenaars.

Fossiele vondsten van tussenvormen bleken vaak te gaan om een ander dier. De Ramapithecus bleek een orang-oetan te zijn. Ook de Australopithecus afarensis,bijgenaamd Lucy, zou een voorouder van de mens zijn geweest. Het bleek echter de gaan om een pygmee-chimpansee; die lopen wat meer rechtop dan andere apen. De heup was wat verwrongen, vermoedelijk doordat er een ander dier op is gaan staan. Men heeft toen een duplicaat van de heup gemaakt en die in stukken gezaagd, zodat ze een niet-verwrongen heup konden reconstueren. Bij de reconstructie heeft men er expres voor gezorgd dat het zou lijken op de heup van een mens. De vorm van de schedel, schouder en voetbeentjes lijken echter veel meer op dat van een chimpansee dan dat van een mens. Later zijn er completere skeletten van Lucy's 'soortgenoten' gevonden. Ook evolutionisten erkennen nu dat Australopithecus afarensis, dus ook Lucy, een aap was en geen aapmens. Toch wordt wordt wordt Lucy nog vaak een 'mensachtige' genoemd.

De Piltdown-mens bleek zelfs gefaudeerd! Het was een menselijke schedel met de onderkaak van een orang-oetan. Achteraf zagen wetenschapper tot hun schaamte dat het ook nog eens heel slecht nagemaakt was. Met een simpel vergrootglas had men al kunnen zien dat er gesjoemeld was. Maar helaas waren de wetenschappers zo blij met hun 'missing link', dat het 41 jaar (van 1912 tot 1953) geduurd heeft voordat men erachter kwam dat men bedrogen was. Ook de Java-mens bleek samengesteld uit skeletdelen van een aap en een mens.

De Nebraska-mens was gebaseerd op een enkele tand. Op basis daarvan meende men af te kunnen leiden hoe deze aapmens geleefd moest hebben, hoe hij liep en dat hij gereedschap gebruikte. Later vond men echter meer delen van het fossiel en bleek het om een uitgestoven soort varken te gaan!

Dan hebben we natuurlijk nog de Neanderthaler. De kromgebogen variant op oudere afbeeldingen had waarschijnlijk een ziekte. Er zijn echter ook vele skeletten gevonden van Neanderthalers die rechtop moeten hebben gelopen. De Neanderthaler kan dus heel goed gewoon een mens zijn geweest. Evolutionisten menen echter dat het afwijkende mitochondriaal DNA (mtDNA) bewijst dat de Neanderthaler een voorouder van de huidige mens moet zijn geweest. Echter, ook 'moderne mensen' kunnen verschillend mtDNA hebben. En het mtDNA van de Neanderthaler is niet afwijkend genoeg om te kunnen zeggen dat het om een voorouder ging. Verder had de Neanderthaler ook grotere hersenen dan de moderne mens, terwijl volgens de evolutietheorie de mens juist steeds grotere hersenen zou moeten krijgen. Ook de Homo erectus was 100% mens. Homo habilis lijkt samengesteld te zijn uit verschillende soorten fossielen, al zijn niet alle evolutionisten het daarover eens. In de media lees je daar nauwelijks iets over en wordt Homo habilis gepresenteerd als missling link.

Maar onze vingerafdrukken dan? Apen hebben die nodig voor meer grip bij het klimmen in bomen. Sommigen hebben zelfs 'vingerafdrukken' op hun staart. Mensen hebben toch geen vingerafdrukken nodig? Is dat geen bewijs voor evolutie? Helaas voor evolutionisten, maar ook bij mensen hebben vingerafdrukken een functie. Op onze handpalmen voor meer grip op de dingen die we vastpakken. Op onze voetzolen zorgen ze ervoor dat we (iets) minder snel uitglijden. Verder zorgen vingerafdrukken voor vergroting van het huidoppervlak, waardoor het zweet makkelijker kan verdampen. (Bron: vingerafdrukken.nl)