Bible-Science.info

Bijbel en wetenschap

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Hoofdstuk 13. Fossielen en aardlagen

Aardlagen

In elk aardrijkskundeboek staat wel een mooi plaatje met alle geologische aardlagen. Elke aardlaag stelt een tijdperk van miljoenen jaren voor. In elke laag staan fossielen getekend die in die aardlaag voorkomen. Of eigenlijk: de fossielen die in die aardlaag zouden moeten voorkomen. Want die mooie geologische tabel (inclusief de fossielen) bestaat ook alleen maar in de boeken. Daarin staan de fossielen van de 'eenvoudige' dieren natuurlijk onderop (in de oudste laag) en de complexere diersoorten liggen in de hogere lagen. In werkelijkheid liggen de eenvoudigere soorten ook in hogere lagen en de hogere diersoorten in lagere afzettingen. Er zijn afdrukken van hoeven gevonden in gesteenten die daar 100 miljoen jaar 'te oud' voor zijn. Op de site van GotQuestions.org staan nog meer voorbeelden.

Verder kan ook de zondvloed de oorzaak zijn dat de eenvoudigere dieren onderop liggen. Deze zijn namelijk niet of minder mobiel. Bij een ramp als de zondvloed zullen de mobiele dieren en de mensen eerst naar hoger gelegen gebieden vluchten. Lagere diersoorten kunnen dit niet en zullen dus in de onderste aarlagen terecht komen.

Creationisten geloven dat vele aardlagen tijdens de zondvloed zijn ontstaan. Wanneer we verschillende soorten zand in een bak water gooien, zullen we zien dat er vanzelf verschillende zandlagen ontstaan. In 1980 is met een enorme explosie Mount St. Helens uitgebarsten. Binnen zeer korte tijd na de uitbarsting hadden zich al lagen gevormd. Hier zijn dus geen miljoenen jaren voor nodig.

De zondvloed is ook een goede verklaring voor het ontbreken van erosie tussen de lagen. Erosie is het afslijten van land door wind of stromend water. Als er werkelijk mijoenen jaren tussen de verschillende lagen had gezeten, zou je bij elke laag toch flink wat slijtage moeten zien. Dit is echter niet het geval. Het is dus veel waarschijnlijker dat ze tegelijk of zeer kort na elkaar gevormd moeten zijn, bijvoorbeeld door de zondvloed.

Elk jaar wordt er zo'n 20 miljard ton aan sediment op de zeebodem afgezet. Cira 1 miljard ton hiervan wordt door plaattektoniek weer in de aardmantel opgenomen. Netto komt er elk jaar dus 19 miljard ton bij. De gemiddelde dikte van de sedimentlaag is ongeveer 400 meter. Met een snelheid van 19 ton per jaar zou het 'slechts' 12 miljoen jaar duren om deze dikte te bereiken. Volgens de evolutietheorie is dit proces echter al 3 miljard jaar aan de gang. Veel evolutionisten beweren dat de snelheid vroeger wel veel lager zal zijn geweest dan de 19 miljard ton per jaar die we nu meten. Wanneer we echter naar de samenstelling van de laag kijken, lijkt het er echter eerder op dat de afzetting vroeger veel sneller moet zijn gegaan. Bijbels gezien zou dat door de zondvloed kunnen zijn gekomen.

Iets soortgelijks zou gelden voor het zoutgehalte in het zeewater. Continu wordt onder andere door erosie zout in de zee gedumpt. Door allerlei natuurlijke processen verdwijnt minder dan een derde van dat zout weer uit het zeewater. Om het huidige zoutgehalte te bereiken zou hooguit 62 miljoen jaar nodig zijn. Na 3 miljard jaar zou het zoutgehalte 50 tot 70 keer zo hoog zijn. Andere berekeningen tonen echter aan dat er toch meer zout verdwijnt dan werd aangenomen. Het zoutgehalte kan dus beter niet meer als bewijs tegen het evolutiemodel gebruikt worden.

Niet zelden zijn rotslagen gebogen (geplooid) zonder dat er breuken in zitten. Een logische verklaring is dat alle lagen nog zacht waren toen ze werden gebogen. Pas daarna zijn ze hard geworden. Ze moeten dus gelijktijdig zijn ontstaan. Een andere verklaring is wat met een moeilijke term 'permanente ductiele deformatie' wordt genoemd. Het komt eropneer dat als er flink druk wordt uitgeoefend op gesteente het langzaam maar zeker kan buigen zonder te breken. Experimenten hebben laten zien dat dit inderdaad kan. Hierbij treedt er echter wel een verandering op in het kristalrooster van de moleculen waaruit het gesteente is opgebouwd. Deze verandering is echter niet in het geplooide gesteente in de natuur te vinden. Vooralsnog is de beste verklaring voor de plooien dat deze lagen gelijktijdig zijn ontstaan en dus niet miljoenen jaren in leeftijd verschillen.

Geplooid gesteente (Bron: Wikipedia)

Fossielen

De fossielen in de aardlagen tonen ook geen tussenvormen. Alle dieren en planten zijn volledig ontwikkeld. En niet zelden worden er 'levende fossielen' ontdekt: fossielen die tientallen miljoenen jaren oud zouden moeten zijn, maar er nagenoeg precies zo uit zien als soorten die nu nog leven. Deze planten- en dierensoorten zijn dus miljoenen jaren onveranderd gebleven. Als het evolutiemodel klopt, zou je na al die tijd toch enige evolutie in deze soorten moeten zien.

Ook voor fossilisatie zijn geen miljoenen jaren nodig. Er is zelf eens een versteende hoed gevonden! Hetzelfde geldt voor het vormen van rotsen. Men heeft eens een stuk rots gevonden waar autosleutels in zaten.

Ook eigenaardig was de vondst van een fossiel van een Tyrannosaurus rex waarin zich nog zachte, flexibele weesfels bevonden. Deze dino wordt gedateerd op een ouderdom van 68 miljoen jaar. Voor zover we weten is het onmogelijk dat deze weefsels er na 68 miljoen jaar nog zo goed geconserveerd uit kunnen zijn. Een logische conclusie is dus dat deze dinosaurus geen 68 miljoen jaar oud is. Dat betekent dus ook dat in elk geval niet álle dino's 65 miljoen jaar geleden zijn uitgestorven. En dat er opnieuw bewijs is geleverd dat de dateringsmethoden niet kloppen. Overigens menen sommigen inmiddels een verklaring voor de zachte weefsels te hebben gevonden: ijzer in bloedcellen. Na de dood van de dino vormde het ijzer nanodeeltjes wat een conserverende werking had op het zachte weefsel, net als formaldehyde ("sterk water"). Om te testen of dit ook echt zou kunnen, stopten ze zacht weefsel in twee potjes. Een ervan werd gevuld met een ijzerrijke vloeistof van rode bloedcellen en de andere met gewoon water. Het weefsel dat in het potje met water was bewaard zag er na een paar dagen uit als een onherkenbare smurrie. Het weefsel in het andere potje zag er na twee jaar (!) nog steeds herkenbaar uit. IJzer lijkt dus inderdaad een conserverende werking te (kunnen) hebben. Vervolgens trekt men de conclusie dat ijzerrijk dinobloed ervoor gezorgd kan hebben dat zacht weefsel wel 200 miljoen jaar bewaard kan blijven (want inmiddels heeft men ook zacht weefsel in zulke oude dino's gevonden). Nu is 2 jaar voor een test best lang, maar het is natuurlijk niets vergeleken met 200 miljoen jaar of zelfs maar met 68 miljoen jaar. Een sluitend bewijs vormt deze test dus allerminst. Update: een nieuwe studie heeft aangetoond dat het ijzer niet de oplossing kan zijn. IJzer genereert hydroxyl waardoor collageen- en elastisinemodulculen weliswaar stabieler worden en dus langer bewaard blijven, maar het blijkt dat hydroxyl ook celwanden afbreekt. De botcellen in het fossiel bleken echter niet door hydroxyl aangetast te zijn. Er was dus geen of weinig hydrxyl aanwezig en kan dus ook niet voor een preserverende werking hebben gezorgd.

Het komt niet zelden voor dat er versteende boomstammen gevonden worden die door verschillende aardlagen heen steken. Deze boomstammen worden vaak "polystrate fossielen" genoemd (al is dit geen geologische term). Velen 'hangen' zelfs ondersteboven. Het zal duidelijk zijn dat de leeftijd van deze lagen geen miljoenen jaren uit elkaar kan liggen. Geologen menen dan ook niet dat elke aardlaag miljoenen jaren in leeftijd verschilt met de laag eronder of erboven. Evolutionisten en creationisten zijn het dan ook eens over hoe deze fossielen zich moeten hebben gevormd: tijdens een overstroming hebben zich verschillende zandlagen zich rond de bomen afgezet. En vele bomen dreven rond op het water en kwamen ondersteboven op de grond terecht waar het door zand werd ingesloten. Dit is ook bij recente overstromigen voorgekomen. Volgens creationisten zullen sommige van deze fossielen wellicht tijdens de zondvloed zijn ontstaan.

Of wat te denken van de Salt Lake-formatie in Pakistan? Lagen die 500 miljoen jaar of meer oud zouden moeten zijn bevatten pollen, bladeren en insecten. Sommige fossielen zijn 416 miljoen jaar te jong. Sommige wetenschappers denken dat de formatie veel jonger moet zijn. De meerderheid erkent echter de uitkomst van de radiodatering en dat de formatie dus ouder dan 500 miljoen jaar moet zijn. Ondanks de fossielen die het tegendeel bewijzen.

Cambrische explosie

In dit hoofdstuk mag natuurlijk ook de Cambrische explosie niet ontbreken. Het Cambrium is een geologisch tijdvak 542-488 miljoen jaar geleden. In de aardlagen uit dit tijdvak worden fossielen van heel veel verschillende diersoorten gevonden die in de nog oudere lagen ontbreken. Van het ene op het andere moment zijn ineens alle stammen van meercellige dieren vertegenwoordigd. Het is voor het evolutiemodel een groot probleem hoe ineens zoveel diversiteit kan ontstaan. In het tijdvak vóór het Cambrium, het Ediacarium, leefden ook wel dieren, maar die hadden geen harde delen. Fossilisatie van die dieren was daardoor nog lastiger dan van dieren mét harde delen, dus op zich is het dan wel logisch dat je meer fossielen vindt van die laatste categorie. Alleen dat al die dieren met harde delen van het ene op het andere moment ontstaan lijken te zijn, stelt seculiere wetenschappers voor een raadsel. Velen nemen aan dat rond die tijd er meer zuurstof in de lucht en het water terecht kwam. Opwarwing van de aarde (na een ijstijd) en het ontstaan van geslachtelijke voortplanting zouden ook een handje geholpen hebben. Maar dat verklaart hooguit hoe de nieuwe levensvormen zouden kunnen overleven, maar niet het ontstaan ervan. Feit blijft dat er geen verklaring is voor het razendsnelle ontstaan van deze enorme hoeveelheid nieuwe dieren. Hiervoor zijn in relatief korte tijd zeer veel gunstige genetische mutaties nodig. En dat ook nog eens voor elke stam. Creationisten nemen aan dat de Cambrische lagen ontstaan zijn tijdens (het begin van) de zondvloed. Deze dieren konden minder snel vluchten naar hoger gelegen delen en sneuvelden.

IJslagen

Niet alleen rotsen, maar ook ijs is opgebouwd uit lagen. Anders dan bij rotsen zou elke ijslaag overeenkomen met een jaar, vergelijkbaar met jaarringen bij bomen. Op die manier zou bewezen zijn dat er op de polen voor miljoenen jaren aan ijs ligt. Laten we kijken of dit inderdaad bewezen is.

Met een soort grote appelboor kan men een heleboel ijslagen naar boven halen. Deze opgeboorde cilinder met ijslagen wordt ook wel een "ijskern" genoemd. In Groenland is de langste ijskern naar bovengehaald tijdens het Greenland Ice Sheet Project 2, kortweg GISP2; deze ijskern is maar liefst 3 kilometer lang en zou in 110.000 jaar gevormd moeten zijn. Idealiter zou hiervoor je het aantal ijslagen moeten tellen. Maar hoe dieper je komt, hoe zwaarder al het bovenliggende ijs weegt en hoe compacter het ijs dus wordt. Dat betekent dus ook dat de lagen die een jaar voorstellen naar beneden toe steeds dunner worden. Als er voor 110.000 jaar aan ijs ligt, dan zullen de lagen op een bepaalde diepte zo dun zijn, dat je ze niet meer met het blote oog van elkaar kunt onderscheiden. Er wordt dan ook vaak een model gebruikt waarmee je kunt berekenen hoe oud het ijs op een bepaalde diepte is. Dit model gaat er al van uit dat er voor tienduizenden jaren aan ijs ligt en de onderste lagen heel dun zijn. Het zal duidelijk zijn dat een model dat er al van uitgaat dat al het ijs zich in tienduizenden jaren heeft gevormd niet kan bewijzen dat dit ook zo is.

Nu zijn er een aantal manieren bedacht om die lagen daadwerkelijk te kunnen tellen. Ik heb geen Nederlandse termen kunnen vinden, dus gebruik ik maar de Engelse: electrical conductivity measurements (ECM) en laser light scattering (LLS). Bij ECM wordt de elektrische geleiding van een laag gemeten. Over het algemeen is de zuurgraad van sneeuw en ijs hoger in de zomer. Door het zuur geleidt de elektrische stroom net wat beter door de ijslaag. Elk sprongetje in de geleiding van de ijslaag zou dan overeenkomen met een jaar. Bij LLS wordt een laserstraal direct op een ijslaag gericht of op wat smeltwater van die laag. Hoe meer stofdeeltjes er aanwezig zijn, hoe meer het laserlicht wordt verstrooid. Ook hier zouden gemeten sprongen of pieken staan voor een jaar. Het zal duidelijk zijn dat beide methodes twijfelachtige aannames doen. Een vulkaanuitbarsting kan bijvoorbeeld sneeuw en ijs bevuilen met zwavelzuur en stofdeeltjes. Maar kunnen al dit soort vervuilingen ervoor zorgen dat ECM en LLS bijvoorbeeld 100.000 lagen (en dus jaren) meten terwijl de kern in werkelijkheid maar voor een paar duizend jaar aan ijs bevat? Dat verschil is toch wel erg groot.

Bij een vulkaanuitbarsting komen ook fragmenten vrij die we "tefra" noemen. Deze zien we uiteraard ook in de ijslagen terug. Als je weet bij welke uitbarsting de tefra in de ijslaag hoort, dan weet je ook de leeftijd van die laag. Het probleem is echter dat vulkaanuitbarstingen enkel sinds de laatste 300 jaar nauwkeurig worden gedocumenteerd. Tefra kunnen dus alleen maar gebruikt worden als referentie voor de bovenste 300 jaar aan ijs en niet voor de lagen eronder. En die lagen eronder zijn nu juist het punt van discussie.

Kunnen we dan geen radiodatering gebruiken? Jazeker en dat wordt ook gedaan, maar we zullen in het volgende hoofdstuk zien dat die methodes evenmin betrouwbaar zijn.

Zou zuurstofisotopenanalyse uitkomst kunnen brengen? Hierbij wordt de verhouding gemeten tussen de isotopen 16O en 18O. Elk zuurstofatoom heeft 8 protonen in de kern. Isotopen verschillen alleen in het aantal neutronen in hun kern. 16O heeft 8 neutronen en 18O heeft er 10. Hierdoor is 18O dus net iets zwaarder en dat is te meten. Hogere waarden in 18O zouden een warmer klimaat kunnen aanduiden en dus ook mogelijk zomers. De verhouding in de zuurstofisotopen wordt ook wel aangeduid met δ18O. In de GISP2-kern is het δ18O-signaal vanaf 346 meter verdwenen! Vanaf 360 meter is het er weer om vervolgens nog heel wat keren onderbroken te worden. De zuurstofisotopenanalyse geeft dus geen bebrouwbare resultaten die als referentie kunnen dienen.

In de onderste helft van de GISP2-kern zitten veel meer stofdeeltjes dat in de bovenste helft. Bovendien fluctueert dit heel erg. In het ene gedeelte scheelt het "slechts" een factor 3 en in een ander gedeelte kan het wel een factor 70 schelen. Het zal direct duidelijk zijn dat dit een probleem is voor de LLS-methode. Een hogere concetratie aan stof zorgt echter ook voor een slechtere geleiding van elekrtische stroom, zodat ook de ECM-methode hierdoor verkeerde resultaten kan geven. Door het grillige patroon van de concentratie aan stofdeeltjes hangt het aantal gemeten pieken (en daarmee veronderstelde jaren) af van de afstand tussen de meetpunten. Wanneer je op een bepaalde diepte heel veel dunne jaarlijkse ijslagen (hoge ouderdom) verwacht, dan zul je je meetpunten heel dicht op elkaar nemen dan wanneer je weinig dikkere ijslagen verwacht. Voor het herkennen van een piek deed men 4 of 5 metingen (Journal of Geophysical Research. 102 (C12): pagina 26.419). Omdat men een hoge ouderdom en dus dunne ijslagen verwachtte, nam men de meetpunten dicht bij elkaar. Mat men hierdoor echt de jaarlijkse pieken of waren die pieken alleen maar veroorzaakt door het grillige partoon in de concentratie stofdeeltjes? De eerste 2800 meter van de ijskern zou zich in 110.000 jaar gevormd moeten hebben en dus ook 110.000 lagen moeten bevatten. Men telde er echter zo'n 25.000 te weinig (Journal of Geophysical Research. 102 (C12): pagina 26.417). Men vermoedde dat in de onderste 500 meter de lagen zo dun waren dat de LLS-methode er een heleboel over het hoofd had gezien. Later werd er nogmaals getest met een dunnere laser. En zowaar, ze "vonden" de ontbrekende 25.000 lagen. Hieruit blijkt dus ook dat het aantal pieken inderdaad afhangt van het aantal meetpunten. Die laatste 500 meter bevat nu overigens 67.000 van de 110.000 lagen aan ijs. De 2300 meter aan ijs erboven bevat de overige 43.000 jaar. Hoeveel lagen zouden ze gemeten hebben als ze bijvoorbeeld de laatste 600 meter opnieuw hadden bekeken met die dunne laser? Zouden ze er dan veel te veel hebben gemeten?